Gebiedsgerichte aanpak voor verduurzaming gebouwde omgeving

16-09-2015

Wie zegt de term “20-20-20” nog iets? 20% CO2 reductie (t.o.v. 1990), 20% duurzame energie en 20% energiebesparing voor 2020? Een verplicht gestelde Europese ondergrens. De globale gevolgen van de CO2 uitstoot worden steeds zichtbaarder en de noodzaak voor hardere maatregelen groter. Door het recent winnen van ‘de Klimaatzaak’ door Stichting Urgenda, is te verwachten dat de Nederlandse overheid op korte termijn haar CO2 reducerende maatregelen verder zal moeten aanscherpen tot een reductie van 25% in 2020. En dat terwijl volgens vele experts Nederland nog niet eens op schema lag om de door haar zelf gestelde, verlaagde doelen te behalen.

De gebouwde omgeving, goed voor 30% van de jaarlijkse CO2 uitstoot, is een van de focusgebieden van de Nederlandse regering. De Nederlandse doelstelling is een klimaatneutrale gebouwde omgeving in 2050. Sinds het bepalen van die doelstelling, zijn talloze partijen aan de slag gegaan met het ontwikkelen van – soms radicale – oplossingen, elk op hun eigen sub-domein. De Toon-app van Eneco staat in menig Nederlands huishouden, woningen kunnen energieleverend gemaakt worden voor de kosten van hun eigen energierekening en de inzet van smart grids kan miljarden opleveren (bron), toonde het afronden van PowerMatching City II begin dit jaar aan. En toch is het niet voldoende; om de gehele gebouwde omgeving te bereiken is samenwerking nodig. Geen optimalisatie op individuele onderdelen, maar integrale oplossingen op wijkniveau. Samenwerking rondom een collectief doel, zoals een energieneutrale wijk, vereist regie en dat is waar het nu mis gaat.

Bij verduurzaming van de gebouwde omgeving liggen de deeloplossingen op verschillende niveaus: op bewonersniveau, woningniveau en op het gebied van infrastructuur. Er komt steeds meer aandacht voor voorlichting aan bewoners over woonlasten. Daartoe worden apparaten (zoals slimme meters) en apps ontwikkeld met als doel meer inzicht te verschaffen in het energieverbruik en de mogelijkheid het energieverbruik beter te reguleren. In Rotterdam heeft de Powerplayer bewezen dat alleen met bewustwording (een display dat als een benzinemeter het maandelijkse energiebudget terugtelde) gemiddeld 6 tot 7% energie bespaard werd (bron). Maar voor de hoge ambitie die gesteld is, levert gedragsbeïnvloeding nooit voldoende op.

Een onmisbare tweede niveau is dan ook het verduurzamen van de woning zelf. Buiten het zetten van kleine stapjes, zoals het plaatsen van zonnepanelen, zijn er radicale innovaties die daadwerkelijk het verschil kunnen maken. Een concept als ‘Nul-op-de-Meter’ (NOM) elimineert ineens zowel het gebouwgebonden als het gebruikersgebonden energieverbruik en is daarmee beter dan energieneutraal. De doelstelling lijkt daarmee binnen handbereik, maar zo snel gaat het niet. NOM-nieuwbouw is een no-brainer en zou dus eigenlijk overal al verplicht gesteld moeten worden, maar het upgraden van de bestaande bouw is complexer. NOM-concepten bestaan nu eigenlijk alleen voor seriematige gebouwtypes (rijtjeswoningen en portieketageflats) en zelfs daar kunnen ze nog (net) niet rendabel aangeboden worden. De Nul-op-de-Meter-markt ontwikkelt zich razendsnel, dus dat is een kwestie van tijd, maar het is zeer onwaarschijnlijk dat NOM ook voor meer unieke woningen een grootschalige oplossing gaat blijken. De eerder genoemde stichting Urgenda heeft een aantal pilotwoningen succesvol naar Nul-op-de-Meter gekregen voor een budget van circa €35.000, maar vraagt daarbij de bewoner om het gebruik van de woning, en daarmee zijn gedrag, fundamenteel aan te passen. Ook dat is niet een oplossing opschaalbaar naar alle Nederlandse huishoudens.

De woningen staan bovendien niet op zich; het wijkniveau biedt additionele oplossingen. Voor woningen die onvoldoende dakoppervlak hebben om in hun eigen energievraag te voorzien, kan het ‘delen’ van dakoppervlak van naburige (publieke) gebouwen een oplossing bieden (bron). Bovendien hebben alle woningen – al dan niet verduurzaamd – een aansluiting op het elektriciteitsnet nodig; zelfs een woning die volledig in zijn eigen energiebehoefte voorziet, wekt de energie niet op het exacte moment op als dat het gebruikt wordt. Deze onbalans wordt opgelost via het elektriciteitsnet en kan in de toekomst een interessante additionele geldstroom opleveren (bron). Daarnaast zal er – zeker indien in 2017 blijkt dat de afbouw van de salderingsregeling daadwerkelijk wordt uitgevoerd – ook steeds meer gekeken worden naar buffering in de omgeving (elektrische auto’s) en zijn er soms kenmerken in de wijk aanwezig die oplossingen voor individuele woningen beperken (warmtenetten).

Pas als de krachten van de oplossingen op alle drie niveaus samengevoegd worden, is er een kans dat we de doelstelling ‘energieneutraal in 2050’ gaan halen. Consultatie van energieleveranciers, bouwondernemingen en installateurs heeft laten zien dat een integraal concept voor wijkgerichte oplossingen eigenlijk nog niet bestaat. Dat komt voornamelijk doordat er grote verschillen bestaan in de business case van de onderdelen ten opzichte van die van het geheel. Eigenaren kiezen dan voor optimalisatie van de eigen situatie en aanbieders tonen slechts interesse voor onderdelen van de opgave (‘cherry-picking’). Hierdoor blijft een totaaloplossing uit. Het ontbreekt aan regie. Als een partij de verantwoordelijkheid pakt voor het overkoepelende doel, kan deze slimme combinaties van vraagstukken maken en een passende fasering aanbrengen. Van groot belang is de data-verzameling en monitoring. Door te beschikken over goede data kunnen acties geprioriteerd worden en effecten aangetoond. Bovendien hoeft een regieorganisatie niet alle autonomie – op het gebied van de energiehuishouding – in te perken van stakeholders in een wijk, maar moet wel overzicht over het geheel worden behouden. Een wijkgerichte aanpak brengt additionele complexiteit met zich mee, maar soms is het nodig het probleem te vergroten om ook de oplossingsruimte te vergroten.

Een gedachtenexperiment kan verhelderen waar de kansen zitten: prik een willekeurige wijk op een kaart en trek er een lijn omheen. Maak een inschatting van de totale kosten van het energieverbruik binnen de lijn; dit is het budget waar je mee aan de slag kunt! Als je de wijk energieneutraal weet te maken, bespaar je elk jaar precies dat bedrag. Schrijf je af over 20, 30 of 40 jaar? Precies! Dan kom je aan interessante getallen. Een regieorganisatie kan heel compact gehouden worden en wordt ook betaald vanuit de gerealiseerde energiebesparing. Deze organisatie kan een marktinitiatief zijn (bijvoorbeeld via een ESCo), maar kan juist ook worden ingericht door gemeentes en/of woningcorporaties omdat woonlastenbeperking en energiebesparing cruciale thema’s zijn. Op termijn kan deze doorontwikkelen tot een energiedienst die coacht, balanceert en inkoopt.

Is er een plek waar we dit aandurven? Slaan partijen de handen ineen om tot een best-practice  voor energieneutrale wijken te komen? Op 8 oktober 2015 komen Eelco Eerenberg (Gemeente Enschede), Jan Willem van de Groep (Energiesprong), Roelof Potters (Alliander) en Marcel Heskes (Squarewise) bij elkaar met een aantal probleemhouders en andere experts om de discussie aan te gaan. Heeft u iets te halen of te brengen? Neem dan contact op met Merel Phillipart (philippart@squarewise.com).

Wij hebben voor een integrale en efficiënte wijkaanpak LEV ontwikkeld. Lees hier meer.

Meer publicaties van ons lezen? Kijk hier.


MAIN